Falaj al Mashayikh: Duinen, duinen en duinen

Falaj al-Mashayikh, 19 februari.

We zitten op de hoogste zandduin binnen zicht van ons tentenkamp. Ergens aan de rand van Sharqiya Sands, een woestijn ongeveer zo groot als een derde van Nederland. De lucht kleurt zacht, er waait een zacht zuchtje wind. De klim over verschillende lagere duinen was, in het zeer zachte zand, zwaar. Na iedere stap omhoog zakken we weer minstens de helft terug. Maar het zicht bij de ondergaande zon over de oneindige zandduinen maakt alle doorstane ellende weer goed.

Het begon met het vroeg opgestaan. Om acht uur zaten we al aan het te uitgebreide ontbijtbuffet. Daarna de koffer ingepakt, uitgecheckt en naar de autoverhuur in een ander hotel om de van tevoren gereserveerde auto op te halen. Het is altijd even wennen met een vreemde auto in een land met andere rijgewoonte de weg op te rijden. Maar met de rijstijl hier, op de brede vierbaanswegen, stelt het weinig voor. Zelden een land gezien waar men zo beleefd rijdt.

De wegen worden, bij het uit de stad rijden, snel leeg. Met geen auto in het zicht rijden we langs hoge rotsen en kale bergen. Vrijwel geen dorpjes, soms wat huizen bij elkaar, een stuk van de weg af. Verder alleen maar steen, wat bosjes, strak asfalt en een blauwe lucht. Na een uurtje verschijnt de zee aan de linkerkant, met rechts de bergen en een brede laagvlakte ertussen. Steen en bosjes, verder niets. De eerste geiten steken de weg over, gevolgd door een groepje dromedarissen en een paar verdwaalde ezels. Zo ver een mooie relaxte tocht.

Vlak bij zee, bezoeken we een “Sinkhole”. Een enorm gat van vijftig meter, in de grond. Op de bodem, een meter of tien naar beneden, een blauw meertje. Een trap naar beneden, wat kinderen welke er zwemmen, midden in een krater. Als je erlangs rijdt is het gewoon vlak oppervlakte, pas bij de rand is de diepte te zien. Een schitterend en uniek fenomeen.

Daarna wordt het minder, de routeplanner wil terug naar de snelweg terwijl wij een stuk op de parallel weg langs de zee willen rijden naar een wereldberoemde wadi, een beek of oase in de bergen. Groene palmbomen midden in een kaal land. We volgen de navigatie en eindigen ergens met onze auto in een opgedroogde rivierbedding in plaats van een parkeerplaats bij een meer zoals onze reisgids ons beloofd.

We gaan ervan uit dat het onze fout was en rijden verder naar “Sur” op zoek naar een werf waar ze nog traditionele “Dhows” bouwen, volledige houten zeewaardige schepen voor de handel van Iran tot Zanzibar sinds honderden jaren. Om er te komen rijden we door vreselijke wijken. Laagbouw, kriskras tegen of naast elkaar. Hoge muren met rommelige wegen ertussen. Zelfs de boulevard aan zee is nietszeggend. De werf was eigenlijk meer een scheepsgraf met op de kant nog een boot waar men aan het werk was. Overal lag stapels hout, de karkassen van een paar oude houten schepen en twee oude stalen vissersschepen. 

Daarna probeerde we de Garmin te vertellen waar we opgehaald zouden worden op weg naar ons kamp in de woestijn. Alle pogingen mislukken. Zelfs het stadje is onbekend, laat staan de straat. Een grote stad op een kilometer of dertig van onze eindlocatie is alles. We rijden en navigeren op een kaart, geen detailkaart maar een kaart van het hele land. De meeste dorpen staan er niet op, alleen de doorlopende wegen. We rijden naar de dichtstbijzijnde stad, bellen naar het kamp. Krijgen uitgebreide instructie, tweede weg rechts, langs een moskee, een benzinestation en dan bij de volgende moskee de eerste weg links, en zo verder. Ergens missen we een afslag, dwalen door het stadje. Kleine straatjes met rond ieder huis dikke muren, dus ook nyiemand op straat en steeds verder weg van het punt waar we fout zijn gegaan.

We stoppen, vragen de weg. Met onze telefoon bellen we het kamp en er wordt een langdurig gesprek in het Arabisch gevolgd. De lengte van het gesprek en de toonhoogte gaf niet het idee dat dit makkelijk zou worden, we zaten waarschijnlijk echt fout. En de weg uitleggen was moeilijk. Maar uiteindelijk tekende onze redder in het zand met een stok de route. Bij het fort, midden in de stad, rechtsaf. Door een rivierbedding en een stuk dirtroad, bij de kruising zouden we worden opgehaald. Simpel, nog geen kilometer verder.

Precies op dat punt stond een 4WD. Achter hem aan scheuren we over grindwegen naar het basiskamp. De berijder voor ons lijkt ons gewoon uit te proberen, of rijdt altijd zo. Met tachtig kilometer per uur op dit soort wegen is niet echt relaxed. Bij dit kamp gooien we onze bagage bij hem in de auto en rijden we twintig kilometer de woestijn in. Een klein kamp, acht tenten in een zeer ruime cirkel. In het midden een kampvuur en aan de zijkant de keuken en eettent. Dat is alles. Iedere paar maanden wordt alles opgepakt en verplaatst omdat het zand dan zover verplaatst is dat het kamp overspoeld is.

We zijn aangekomen, zitten op de hoogste duin en kijken naar de zon welke verdwijnt en de eerste sterren welke zichtbaar worden. De bewoners van dit land redde deze trip, de techniek liet ons in de steek.

Oman, 19 Februari 2020

joepj Written by:

Be First to Comment

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *